Inhoud
  1. 0Hoe het samenhangt
  2. 1Het project aanmaken
  3. 2Componenten onboarden
  4. 3Datapuntlijsten indexeren (voor GBS)
  5. 4Data verkennen
  6. 5De Link installeren
  7. 6Netwerkinstellingen
  8. 7Bekabelde verbinding met installatiecomponenten
  9. 8Onboarding op locatie
  10. 9Optimize
  11. 10Het platform gebruiken
Hoofdstuk 8 · Onboarding op locatie

Bekabelde apparaten (BACnet IP, Modbus TCP, Modbus RTU)

  1. Open het component. Klik op het tabblad Devices op het component.

  2. Controleer de fysieke verbinding. Zorg dat er een fysieke verbinding is tussen het installatiecomponent en de Link.

  3. Controleer de communicatiegegevens. Heb je de gegevens van het communicatieprotocol tijdens de onboarding ingevuld, dan zie je ze op het scherm. Zo niet, dan moet je het apparaat eerst aanmaken: is het op afstand te benaderen, vul dan het IP-adres in en klik op Create Device. Welke componenten toegang op afstand ondersteunen, zie je in Ondersteunde componenten.

  4. Vul de netwerkconfiguratie in. Die verschilt voor BACnet IP, Modbus TCP en Modbus RTU. Vul de gegevens in en klik op Configure.

    Netwerkgegevens van het apparaat

    De Link communiceert met het apparaat

Controle

Is er communicatie, dan krijg je een groen vinkje naast Pinging. Kan de Link niet met het apparaat communiceren, dan blijft de status Unknown.